Het Ego en de Valse Autonomie

© Een Cursus In Wonderen (enigszins aangepast)

Het is alleszins redelijk te vragen hoe de denkgeest ooit het ego heeft kunnen maken. Het is in feite de beste vraag die je stellen kunt. Het heeft echter geen zin om een antwoord te geven aan de hand van het verleden, omdat het verleden er niet toe doet, en de geschiedenis niet zou bestaan als dezelfde fouten niet in het heden werden herhaald. Abstract denken is op kennis van toepassing, omdat kennis volkomen onpersoonlijk is en voorbeelden onbelangrijk zijn om haar te kunnen begrijpen. Waarneming is echter altijd specifiek en daarom heel concreet.

Iedereen maakt voor zichzelf een ego of zelf, dat vanwege zijn instabiliteit aan enorme wisselingen onderhevig is. Ieder maakt bovendien voor ieder ander die hij ziet een ego dat al even wisselvallig is. De interactie daarvan is een proces dat beide verandert, omdat ze niet door of met de ‘Onveranderlijke’ (Dat wat is) werden gemaakt. Het is van belang te beseffen dat deze verandering even gemakkelijk kan en zal optreden wanneer de interactie in de denkgeest plaatsvindt als wanneer ze gepaard gaat met fysieke nabijheid. Over een ander ego denken heeft evenveel effect op het veranderen van relatieve waarneming als fysieke interactie. Een beter voorbeeld dat het ego slechts een denkbeeld is en geen feit, kan er niet bestaan.

Jouw eigen staat van denken is een goed voorbeeld van hoe het ego werd gemaakt. Wanneer je kennis hebt weggegooid, lijkt het alsof je die nooit hebt gehad. Dit is zo duidelijk dat je het alleen maar hoeft te erkennen om te zien dat het echt zo gebeurt. Als dit in het heden plaatsvindt, waarom wekt het dan verbazing dat het in het verleden plaatsvond? Verbazing is een begrijpelijke reactie op iets ongewoons, maar beslist niet op iets wat met zo’n hardnekkigheid voorkomt. Vergeet echter niet dat de denkgeest niet op die manier hoeft te werken, ook al werkt hij nu wel op die manier.

Denk aan de liefde van dieren voor hun jongen en aan de behoefte die ze voelen om ze te beschermen. Dat komt doordat ze hen als een deel van zichzelf zien. Niemand geeft iets op wat hij als deel van zichzelf beschouwt. Jij reageert nagenoeg hetzelfde op jouw ego: met liefde, bescherming en goedheid. Je reacties op het zelf dat jij hebt gemaakt zijn niet verbazingwekkend. Eigenlijk lijken ze in veel opzichten op hoe jij eens zult reageren op jouw werkelijke scheppingen, die even tijdloos zijn als jij. De vraag is niet hoe jij op het ego reageert, maar wat je gelooft dat jij bent. Geloof is een egofunctie, en zolang jouw oorsprong een kwestie is van geloof, bekijk je dit vanuit een ego-standpunt. Geloven dat er een andere manier van waarneming bestaat, is het meest verheven idee waartoe het ego-denken in staat is. Dat komt doordat het een zweempje inzicht bevat dat het ego niet het Zelf is.

Het ondermijnen van het ego-denksysteem moet wel als pijnlijk worden ervaren, zelfs al is dit allesbehalve waar. Baby’s krijsen van woede als je ze een mes of schaar afneemt, hoewel ze zich heel goed kunnen bezeren als je dat nalaat. In die zin ben jij nog steeds een baby. Jij hebt geen benul van werkelijk zelfbehoud, en besluit allicht dat je precies dat nodig hebt wat jou het meest zal verwonden. Maar toch, of je dat nu inziet of niet, je hebt erin toegestemd mee te werken om je in te spannen zowel niet-kwetsend als behulpzaam te zijn, eigenschappen die onvermijdelijk samengaan. Zelfs je houding hiertegenover is noodgedwongen met zichzelf in strijd, omdat elke houding op het ego is gebaseerd. Dit zal niet zo blijven. Heb nog even geduld en bedenk dat de uitkomst zeker is.

Alleen wie een echt en blijvend gevoel van overvloed heeft, kan werkelijk vrijgevig zijn. Dit is zonneklaar wanneer je nagaat waar het om gaat. Voor het ego betekent iets geven dat jij het zonder moet stellen. Wanneer jij geven met offeren associeert, geef je alleen omdat je gelooft dat jij ergens iets beters krijgt, en daarom kunt missen wat je geeft. ‘Geven om te krijgen’ is een onontkoombare wet van het ego, dat zichzelf steeds beoordeelt in verhouding tot andere ego’s. Daarom wordt het voortdurend in beslag genomen door het geloof in schaarste waardoor het is ontstaan. Heel het feit dat het andere ego’s als werkelijk waarneemt, is slechts een poging zichzelf te overtuigen van zijn eigen werkelijkheid. In de terminologie van het ego betekent ‘zelfrespect’ niets anders dan dat het ego zichzelf heeft wijsgemaakt dat het bestaat, en daarom is het tijdelijk minder roofzuchtig. Dit ‘zelfrespect’ staat altijd onder spanning, een term die betrekking heeft op elke vermeende bedreiging voor het bestaan van het ego.

Het ego lééft van vergelijkingen. Gelijkheid gaat zijn begrip te boven, en vrijgevigheid wordt onmogelijk. Het ego geeft nooit uit overvloed, omdat het als substituut daarvoor werd gemaakt. Dat is de reden waarom het idee van ‘krijgen’ in het ego-denksysteem is ontstaan. Begeerten zijn mechanismen om iets te ‘krijgen’, ze vertegenwoordigen de behoefte van het ego om zichzelf te bevestigen. Dit geldt evenzeer voor lichamelijke begeerten als voor de zogenaamde ‘hogere ego-behoeften’. Lichamelijke begeerten zijn van oorsprong niet fysiek. Het ego beschouwt het lichaam als zijn thuis, en probeert zichzelf via het lichaam te bevredigen. Maar het idee dat dit mogelijk is, is een beslissing van de denkgeest die volledig in verwarring is geraakt over wat werkelijk mogelijk is.

Het ego gelooft dat het volledig op zichzelf staat, wat alleen een andere manier is om te beschrijven hoe het denkt te zijn ontstaan. Dit is zo’n beangstigende toestand dat het zich alleen tot andere ego’s kan wenden om te proberen zich met hen te verenigen in een zwakke poging tot vereenzelviging, of ze aan te vallen in een even zwak vertoon van kracht. Het is echter niet vrij om het uitgangspunt in twijfel te trekken, omdat het uitgangspunt zijn fundament is. Het ego is de overtuiging van de denkgeest dat hij volledig op zichzelf staat. De niet aflatende pogingen van het ego om erkenning van de geest te krijgen en zo zijn eigen bestaan te bevestigen zijn vruchteloos. De geest is zich in zijn kennis niet van het ego bewust. Hij valt het niet aan, hij kan er zich eenvoudig geen enkel idee van vormen. Hoewel het ego zich evenmin van de geest bewust is, beschouwt het zichzelf als afgewezen door iets groter dan zichzelf. Dit is de reden waarom zelfrespect in de zin van het ego wel een waandenkbeeld moet zijn. De scheppingen van ‘Dat wat is’ scheppen geen mythen, hoewel creatieve inspanning op mythologie kan worden gericht. Dit kan echter maar onder één voorwaarde: wat zo wordt gemaakt is dan niet langer scheppend. Mythen behoren totaal tot het gebied van de waarneming en zijn zo dubbelzinnig van vorm en typisch goed-en-kwaad van aard, dat zelfs de meest goedaardige niet zonder beangstigende bijbetekenissen is.

Mythen en magie zijn nauw met elkaar verweven, aangezien mythen gewoonlijk te maken hebben met de oorsprong van het ego, en magie met de krachten die het ego zichzelf toedicht. Mythologische systemen bevatten doorgaans een of andere verklaring van hoe ‘de schepping’ tot stand kwam, en brengen dit in verband met hun specifieke vorm van magie. De zogenaamde ‘strijd om te overleven’ is niets dan de worsteling van het ego om zichzelf en zijn interpretatie van zijn eigen begin in stand te houden. Dit begin wordt gewoonlijk met de fysieke geboorte verbonden, omdat het moeilijk valt vol te houden dat het ego voor dat tijdstip bestond. De meer ‘religieus’ getinte ego-aanhangers geloven misschien dat de ziel voordien al bestond en zal blijven voortbestaan na tijdelijk tot een leven als ego vervallen te zijn. Sommigen geloven zelfs dat de ziel voor deze val zal worden gestraft. Verlossing is echter niet van toepassing op de geest, die niet in gevaar verkeert en niet hoeft te worden verlost.

Verlossing is niets anders dan de ‘juiste gerichtheid-van-denken’, die niet de Eenheid-van-denken is, maar wel verworven moet worden voordat Eenheid-van-denken kan worden hervonden. Een juiste gerichtheid-van-denken leidt automatisch tot de volgende stap, omdat een juiste waarneming onveranderlijk zonder aanval is en een onjuiste gerichtheid-van-denken daarom wordt uitgewist. Het ego kan zonder oordeel niet overleven, en wordt bijgevolg terzijde gelegd. De denkgeest heeft dan nog maar één richting waarin hij zich bewegen kan. Zijn richting is altijd automatisch, omdat die alleen door het denksysteem dat hij aanhangt kan worden voorgeschreven.

Het kan niet vaak genoeg worden benadrukt dat het corrigeren van de waarneming slechts een tijdelijke remedie is. Het is alleen noodzakelijk omdat een verkeerde waarneming een belemmering vormt voor kennis, terwijl correcte waarneming een opstap ernaar is. Het enige wat juiste waarneming waarde geeft is het onvermijdelijke inzicht dat alle waarneming overbodig is. Dit neemt de belemmering volledig weg. Je vraagt je misschien af hoe dit mogelijk is zolang jij in deze wereld lijkt te leven. Dat is een redelijke vraag. Je moet echter zorgvuldig nagaan of je hem ook werkelijk begrijpt. Wie is de ‘jij’ die in deze wereld leeft? De geest is onsterfelijk, en onsterfelijkheid is een bestendige toestand. Ze is nu even waar als ze ooit was of ooit zal zijn, omdat ze niet de minste verandering veronderstelt. Ze is geen continuüm, noch wordt ze begrepen door haar met een tegendeel te vergelijken. Kennis behelst nooit vergelijkingen. Dat is haar voornaamste verschil met al het andere dat de denkgeest bevatten kan.